Op 5 juli 2015 fietsten de wielrenners van de Tour de France door Zeeland, en finishten op de Neeltje Jans. Het binnenhalen van dit spektakel kostte Zeeland € 365.000. De provincie Zeeland had het Kenniscentrum Kusttoerisme de opdracht gegeven om uit te zoeken wat deze investering de provincie aan economische baten op zou leveren.

Ze had daarbij als voorwaarde gesteld dat het onderzoeksbureau alleen onderzoek mocht doen naar de uitgaven, niet naar het aantal bezoekers. Het aantal bezoekers werd aangeleverd door de organisator, de ASO.

Dit bleek geen goede zet, want deze organisatie kwam met maar liefst 220.000 bezoekers op de proppen. Omroep Zeeland kwam met een eigen inschatting van 55.000 en in een pijnlijk debat moest de gedeputeerde Ben de Reu bakzeil halen en het onderzoek over laten doen. Volgens D66 hadden de onderzoekers gecontroleerd moeten worden op doping (of was het de opdrachtgever?).

De provincie dacht op zeker te spelen door het onderzoek in twee delen te knippen: enerzijds de bestedingen en anderzijds het aantal bezoekers. Het opknippen van een gevoelig onderzoek in onderdelen is een vaker gebruikte tactiek van overheidsinstellingen. Men doet dit om controle te houden over resultaten. Men kan dan immers door sturing van de tussenresultaten de eindresultaten beïnvloeden.

In het geval van de Tour in Zeeland was het gevolg van deze tactiek tamelijk desastreus voor het imago van de opdrachtgever en het onderzoeksbureau.

In Utrecht , waar dezelfde Tour de France een paar dagen eerder door heen ging, vond een vergelijkbaar onderzoek plaats. Hier was er echter geen discussie over de resultaten. De onderzoekers van het Utrechtse onderzoek hanteerden richtlijnen voor onderzoek die gebaseerd waren op afspraken tussen onderzoekers. Deze afspraken zijn vastgelegd in zgn. WESP richtlijnen (WESP: Werkgroep Evaluatie Sportevenementen). Kort gezegd verbieden deze richtlijnen het opknippen en sturen van het onderzoek op de manier zoals dat in Zeeland gebeurde.

Wat is die Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP)? Het is een community van onderzoekers die afspraken maken over richtlijnen. De WESP is een vreemde club, het is een club zonder financiering en zonder juridische vorm (hoewel er stemmen opgaan om dit laatste te veranderen). Behalve inhoudelijke betrokkenheid zijn er geen drempels voor deelname. Het lijkt een beetje op een Open Source community van programmeurs. Niet toevallig, want dat is ook de inspiratiebron.

De WESP is sinds 2009 actief en kent inmiddels meer dan 30 leden van ruim 25 Nederlandse kennisinstellingen, evenementenorganisatoren, adviesbureaus en overheidsorganisaties.

Ik beschouw het als een voorbeeld van hoe Open Onderzoek in de praktijk kan functioneren. Open Onderzoek houdt in dat onderzoekers inzage geven in hun resultaten en methodes en er naar streven om afspraken te maken over ‘best practises’. Die ‘best practises’ worden vastgelegd in (voorlopige) richtlijnen. Richtlijnen zijn naar hun aard voorlopig, nieuwe onderzoeksmethodes leiden tot nieuwe richtlijnen.

Wat een softwareprogramma in de Open Source is, zijn de richtlijnen voor Open Onderzoek in WESP verband.

Het voorbeeld van Zeeland en Utrecht illustreert één van de voordelen van onderzoek dat gebaseerd is op de WESP/Open Onderzoeksfilosofie, namelijk dat het lastiger wordt voor opdrachtgevers om onderzoek te manipuleren. Bovendien geeft toepassing van de WESP richtlijnen opdrachtgevers een garantie dat de resultaten minder risico lopen onderuit gehaald te worden. Dat scheelt een hoop gedoe.

Wat houdt die Open Onderzoek filosofie verder in? Open Onderzoek zorgt ervoor dat onderzoekers en onderzoeksbureaus hun neiging om uitkomsten juist niet vergelijkbaar te maken, loslaten. Dit zorgt voor transparantie en standaardisering en bevordert zo het ontstaan van een markt waarin vragers en aanbieders elkaar vinden.

Het klinkt misschien vreemd dat onderzoeksbureaus ernaar neigen om hun resultaten niet vergelijkbaar te maken met ander onderzoek. Een onderzoeker wil toch niets liever dan bouwen aan de Kathedraal van de Wetenschap? In woord wel, maar in de praktijk werkt het anders.

Een onderzoeksbureau heeft er namelijk belang bij om een eigen specialiteit te ontwikkelen, een kennisniche waarin uitsluitend dat bureau deskundig is. Daardoor creëert het onderzoeksbureau als het ware een monopolie. Je kunt het vergelijken met de marketing van sigarettenmerken. Marlboro en Peter Stuijvesant verkopen hetzelfde product, maar door ‘productdifferentiatie’ krijgt de afnemer het gevoel deze twee merken heel verschillend zijn.

Onderzoeksbureaus hebben zo ook belang bij kennisdifferentiatie. Zo had voordat de WESP bestond, ieder bureau zijn eigen methode om de economische impact van een evenement te meten. De kennis en methodes die zij hadden deelden zij liever niet met anderen, want dat was de kip met de gouden eieren slachten.

Een onderzoeksbureau zal een opdrachtgever ook niet snel vertellen dat een bepaald onderzoek al een keer is gedaan, zij doen liever het onderzoek, met een iets andere benadering, nog een keer over. Een onderzoeksbureau dat dit niet doet, is al snel ‘een dief van zijn eigen portemonnee’.

Onderzoekers vinden dus regelmatig het wiel opnieuw uit. Ze claimen vaak in de inleiding van hun rapport dat een bepaalde vraag nog niet eerder is gesteld, of dat een methode nog niet is toegepast, waarbij een uitgebreid literatuuronderzoek er wel eens bij inschiet. Dat kost tijd en bovendien, daarmee zouden ze zichzelf maar in de vingers snijden.

Deze kennisdifferentiatie en het opnieuw uitvinden van wielen leidt er toe dat er veel minder kennisopbouw plaatsvindt dan mogelijk zou zijn bij een betere besteding van (meestal) belastinggeld.

Open Onderzoek is een filosofie die kennisopbouw juist als uitgangspunt heeft. Door het afspreken van richtlijnen, dwingen onderzoekers zichzelf tot transparantie en bieden daarmee vergelijkbare methodes aan. Zoals gezegd, het is het best te vergelijken met de Open Source software.

Bij commerciële software is het zo dat niet-uitwisselbaarheid (van bestanden) prettig is voor een bedrijf dat die software maakt. Ieder commercieel pakket heeft zijn eigen bestandsformaat. Zo heeft Microsoft lang geleden WordPerfect uit de markt geduwd, want op den duur wil iedereen hetzelfde, want anders kun je niet uitwisselen.

De Open Source software beweging is altijd een voorstander geweest van open standaarden die uitwisseling mogelijk maakten. Bij software is een ontwikkeling geweest waarbij commerciële software ontwikkelaars zich langzamerhand hebben leren inzien dat open standaarden ook hun (lange termijn) belang dienen.

Ook Microsoft ondersteunt tegenwoordig de Open Source beweging met flinke sommen geld. Eén van de redenen dat commerciële bedrijven meedoen aan open source software is het inzicht dat op internet Open Source de standaard is geworden. Het geld wordt niet meer verdiend met een monopolistisch stuk software, maar met het op maat maken van de standaardtools voor eigen platforms.

Men probeert dus niet een zo groot mogelijk stuk taart uit een bestaande markt te pakken, maar men bakt mee aan de nieuwe taart, waarbij men het bestaan van anderen die ook een taartpunt pakken, maar wellicht minder bijdragen, accepteert als consequentie van de strategie. Die ontwikkeling naar open standaarden staat bij onderzoek nog in de kinderschoenen.

Toch zijn de voortekenen gunstig. De Open Onderzoek aanpak van de WESP is succesvol gebleken: dankzij dit initiatief bestaat er nu een standaardmethode om bepaalde aspecten van evenementen te meten en deze methode wordt breed toegepast. Inmiddels zijn er ca. 90 evaluaties volgens WESP richtlijnen uitgevoerd. Dankzij de WESP richtlijnen is er een markt voor evenementenevaluatie ontstaan.

Open Onderzoek is de keuze voor een lange termijn business model, gebaseerd op samenwerking en marktontwikkeling, en niet alleen een ideologische keuze voor gratis software en onderzoek. Ik denk dat Open Onderzoek de onderzoeksmarkt zal veroveren en dat een slimme onderzoeker nu al bedenkt hoe hij of zij daar zijn/haar voordeel mee doet.

Naarmate Open Onderzoek de standaard wordt, zullen onderzoeksbureaus gaan accepteren dat andere bureaus profiteren van de kennis die door hen ontwikkeld is en gedeeld wordt via richtlijnen of andere instrumenten. Kennisopbouw zal sneller gaan. Dat is letterlijk winst voor iedereen.